14 juli 2010 door Misjah van Driel
Tijdens het ontbijt vertelde mijn dochter dat ze later dokter wil worden. In een ziekenhuis. Als mensen last van hun hart krijgen, geneest zij ze.
Ze is pas zes en dan al zo’n duidelijk beeld over later. Trots keken mijn vrouw en ik elkaar aan. Meteen daarna fronste mijn vrouw haar voorhoofd. Een teken dat haar serieuze kant opstak.
‘Zouden onze andere twee spruiten straks ook zo’n baan willen? Met ook een kostbare studie? En de wereldreizen die we tegen die tijd willen maken dan?’ vroeg ze aarzelend.
Behalve over wereldreizen schijnen we in Nederland amper na te denken over later. De hoogte van ons toekomstige pensioen weten we nauwelijks. Ondertussen krijgen we van pensioenuitvoerders stapels berekeningen, toelichtingen en inkomensverwachtingen, die we allemaal in een schoenendoos op zolder stoppen.
Ook ik neem ze met een half oog door en leg ze vervolgens bij de vorige jaargangen. Waarom deze desinteresse, terwijl ik nota bene bij een pensioenverzekeraar werk?
De bedragen kan ik inschatten, maar het belangrijkste waarom het me weinig zegt is inflatie: waardevermindering van geld, die leidt tot prijsstijgingen. Nu kunnen we het nauwelijks voorstellen, maar een brood gaat straks 5 euro kosten. We geven graag de schuld aan de euro, maar ook mijn ouders hebben in het guldenstijdperk de prijs van een zakje chips (met een los zakje zout) van een duppie op zien lopen naar 80 cent.
Schulden worden ook minder waard, zodat mijn hypotheeklasten als percentage van mijn inkomen zullen halveren. Dat betekent dat ik dan inkomen over heb voor andere dingen, zoals studiekosten of wereldreizen. Of ga ik in een snel tempo mijn hypotheek aflossen, omdat mijn hypotheekrenteaftrek vervalt.
Maar dan moet je wel aan het werk blijven, denkt nu de oplettende lezer. Dat klopt. Daarvoor zorgt hopelijk de vergrijzing: er zijn relatief gezien steeds minder werkenden. Door een aardige opleiding, kennis en werkervaring, zal na uitstroom van de babyboomgeneratie op de arbeidsmarkt nog wel behoefte zijn aan mensen met mijn vaardigheden.
Ik kon mijn vrouw dus met een paar woorden geruststellen.
Een kwartiertje later, bij het pakken van haar fiets om naar school te gaan, zag mijn dochter een dood muisje liggen. Haar broertje en zusje keken nieuwsgierig mee.
‘Dat was natuurlijk die gemene zwart-witte poes van de buren,’ snikte ze.
Haar doktersaspiraties waren op slag verdwenen. Het denken over later was, net als bij velen van ons, door de actualiteit naar de achtergrond verdrongen.
Misjah