10 juni 2010 door Herman Kappelle
- akkoord houdt geen rekening met verzekerde pensioenregelingen
- verzekeraars kunnen opgebouwde rechten niet verlagen
- open oog voor verzekerde gregelingen bij wijzigingen van wet- en regelgeving
De pensioenwereld is vorige week verblijd met een pensioenakkoord tussen de sociale partners. Vlak voor de verkiezingen zijn werkgevers en werknemers het eens geworden over een verhoging van de pensioenleeftijd, zowel in de eerste pijler als in de tweede.
Wat opvalt is dat het akkoord (weer) volledig is gericht op pensioenregelingen die worden uitgevoerd door pensioenfondsen. Aan het feit dat er ook een flink gedeelte – 12% van de deelnemers - van de pensioenregelingen is ondergebracht bij pensioenverzekeraars wordt ten onrechte voorbij gegaan.
De verschillen tussen een pensioenfonds en een pensioenverzekeraar zijn groot. Een pensioenfonds kent doorgaans maar één of hooguit enkele pensioenregelingen. Een pensioenverzekeraar heeft enkele duizenden pensioenregelingen in administratie, die allemaal verschillen. Het aanpassen van de portefeuille aan gewijzigde wet- of regelgeving, is voor een pensioenverzekeraar dan ook vele malen gecompliceerder dat voor een pensioenfonds.
Een ander groot verschil is dat pensioenaanspraken en pensioenrechten bij een verzekeraar gegarandeerd zijn; ze zijn immers verzekerd. Een pensioenfonds heeft de mogelijkheid om als laatste middel om de dekkingsgraad te herstellen de pensioenen te verlagen, het zogenoemde afstempelen.
Veel lastiger
In het akkoord wordt de hoogte van de pensioenen afhankelijk van enerzijds de levensverwachting en anderzijds de beleggingsresultaten. Dat is in lijn met het rapport Goudswaard, dat ook alleen maar op de situatie bij pensioenfondsen is gericht. Het verschuiven van het langlevenrisico en het beleggingsrisico naar de deelnemers is op de manier zoals voorgesteld in het pensioenakkoord bij pensioenfondsen wel te verwezenlijken, maar voor pensioenverzekeraars is dat veel lastiger.
Verzekerde pensioenen zijn per definitie “hard”; verlagen van reeds opgebouwde rechten is niet mogelijk. Op zich kunnen ook de verzekeraars nu al rekening houden met toekomstige ontwikkelingen. Bijvoorbeeld door een beschikbare premie in het jaar van toekennen tegen de dan geldende tarieven meteen om te zetten in een uitgesteld pensioen op pensioendatum. Veranderen de tarieven door het hanteren van ander sterftegrondslagen of rekenrente, dan heeft dat alleen invloed op de met de toekomstige premies in te kopen pensioenen en niet op de reeds ingekochte pensioenen, hetgeen toch een bepaalde mate van zekerheid voor de deelnemer met zich brengt. Een andere mogelijkheid is om uit te gaan van de contante waarde van de beoogde pensioenuitkeringen op pensioendatum. Daalt deze als gevolg van bijvoorbeeld een gestegen levensverwachting, dan heeft de deelnemer twee keuzen. Ofwel hij koopt voor de lagere contante waarde op de oorspronkelijke pensioendatum een lagere levenslange uitkering aan, ofwel hij stelt zijn pensioeningangsdatum zodanig uit dat hij op die latere datum een levenslange uitkering kan aankopen op het niveau dat hij voor ogen had.
Een open oog
Kortom; ook bij verzekerde pensioenregelingen zijn er mogelijkheden om tegemoet te komen aan de door Goudswaard en de sociale partner gesignaleerde ontwikkelingen. Dat zal echter niet kunnen op de manier zoals pensioenfondsen dat voor ogen staat. Ik pleit er dan ook voor om bij alle ontwikkelingen in wet- en regelgeving op pensioengebied niet alleen te kijken hoe die uitwerken voor pensioenfondsen, maar daarnaast een open oog te hebben voor de specifieke positie van pensioenverzekeraars en hun verzekerden.
Herman Kappelle
Maarten Koster juni 10th, 2010 13:51
Ik begrijp wel wat Herman Kappelle bedoelt, maar hetzij ik heb door de verkiezingen te weinig geslapen, of hij vergist zich bij de formulering: ” Een andere mogelijkheid is om uit te gaan van de contante waarde van de beoogde pensioenuitkeringen op pensioendatum. Daalt deze als gevolg van bijvoorbeeld een gestegen levensverwachting, dan heeft de deelnemer twee keuzen. Ofwel hij koopt voor de lagere contante waarde op de oorspronkelijke pensioendatum…”. Als je uitgaat van gelijkblijvende pensioenuitkeringen bij een gestegen levensverwachting, dan stijgt toch de contante waarde juist op de oorspronkelijke pensioendatum? Wat hij vermoedelijk bedoelt, is dat de deelnemer kijkt of hij bij de gelijke contante waarde genoegen neemt met door de gestegen levensverwachting gedaalde pensioenuitkeringen, of dat hij langer doorwerkt.
Alexander Kuipers juni 14th, 2010 08:28
@ Maarten Koster
Herman Kappelle: Uitgaande van een vaste pensioenuitkering van bijvoorbeeld € 10.000 vanaf 65 jaar, zal de contante waarde dalen als deze wordt berekend op basis van een sterftetafel waarin rekening wordt gehouden met een hogere levensverwachting dan waarmee is gerekend ten tijde van de pensioentoezegging. Als op basis van deze lagere contante waarde en de tarieven op basis van de zwaardere sterftetafel een uitkering wordt bepaald die ingaat op 65, zal deze lager zijn dan € 10.000. Als op basis van deze tarieven een uitkering van € 10.000 verzekerd moet worden, zal hij later ingaan dan 65.
Maarten Koster juni 15th, 2010 11:43
Nogmaals, ik begrijp de bedoeling, maar de redenatie van de lagere contante waarde volg ik nog steeds niet.
Mijn redenatie: Als rekening wordt gehouden met een langere levensverwachting, dan wordt de contante waarde van gelijkblijvende uitkeringen toch juist hoger?
Guus Strörmann juni 24th, 2010 14:12
“Een andere mogelijkheid is om uit te gaan van de contante waarde van de beoogde pensioenuitkeringen op pensioendatum. Daalt deze (GS: aangenomen mag worden dat hier de contante waarde wordt bedoeld) als gevolg van bijvoorbeeld een gestegen levensverwachting, . . . ”
Deze zin in het betoog is onlogisch want de contante waarde is het product van de pensioenuitkering en de uitkeringsduur. Als de duur toeneemt, neemt de waarde toe.
Wat mogelijk bedoeld is, is dat de tarieven voor pensioenaankoop op de pensioendatum afwijken van die ten tijde van het opbouwen van het pensioen en dus de vaststelling van de premie. Kortom, de beschikbare netto contante waarde van de pensioenuitkeringen kan lager uitvallen door hogere kostenopslagen op het moment van aankoop. Daarnaast kan er minder dan het beoogde pensioen worden aangekocht omdat de levensverwachting is gestegen.