04 januari 2011 door Herman Kappelle
- Sociale partners maken het “nieuwe pensioencontract” nodeloos ingewikkeld
- Door staffelbesluit is het pensioenakkoord meer “for worse” dan “for better”
- De staatssecretaris heeft de sleutel voor de oplossing in handen
Het Pensioenakkoord dat de sociale partners afgelopen zomer afsloten, was al enige malen onderwerp van mijn columns. Inmiddels volg ik de ontwikkelingen met stijgende verbazing. Hoe ingewikkeld kun je het maken? Termen als “groeivoetbenadering”, “rendementsaanpassingsmechanisme” en “het invaren van bestaande rechten” verrijken het pensioenjargon. Zoals ik al eerder aangaf, valt het straks allemaal niet meer uit te leggen aan de gemiddelde deelnemer in een pensioenregeling.
De belangrijkste oorzaak van de toenemende ingewikkeldheid ligt in het streven van sociale partners om alles in één keer en in één contract te regelen. Opbouwfase en uitkeringsfase, bestaande rechten en nieuwe rechten.
Moeite
Voor wat de opbouwfase betreft, betoogde ik al eerder dat het “nieuwe” pensioencontract in wezen niets anders is dan de oude vertrouwde streefregeling. Daar is niets op tegen, ook fiscaal niet sinds het laatste staffelbesluit van 21 december 2009 (CPP2009/148M). Op grond van dit besluit mogen we de voor een premieovereenkomst ter beschikking te stellen premie namelijk baseren op de kostprijs voor een fiscaal maximaal middelloonpensioen. We zijn niet meer gebonden aan een rekenrente van 4% waar staffelpercentages uit voortvloeiden die onvoldoende waren om een middelloon resultaat te bereiken. Dat probleem kennen we nu dus niet meer. Het enige wat de sociale partners moeten doen, is erkennen dat ook het “nieuwe” pensioencontract een beschikbare premieregeling is. Iets wat vooral de vakbeweging moeite blijkt te kosten. Maar wat is nu het verschil tussen “zachte” middelloonrechten en een beschikbare premieregeling waarbij een kapitaal wordt gevormd op basis van de kostprijs van een fiscaal maximaal middelloonpensioen?
Het kapitaal wordt op pensioendatum omgezet in een direct ingaand ouderdomspensioen op basis van de dan geldende tarieven. Het risico van een lage rente of een hogere levensverwachting is daarmee al verschoven naar de deelnemer. Hetzelfde geldt voor de gedurende de opbouwperiode gerealiseerde beleggingsresultaten. Ook die zijn verdisconteerd in het kapitaal op pensioendatum. Volledig in overeenstemming dus met het pensioenakkoord dat voorziet in zachte en “meeademende” rechten. Een van de uitgangspunten van dit systeem is echter wel dat de deelnemer zowel het opwaartse als het neerwaartse risico loopt. De rente en de beleggingsresultaten kunnen immers ook weer omhoog gaan. “For better and for worse” in de terminologie van het pensioenakkoord. En daar zit een knelpunt: het staffelbesluit schrijft voor dat het pensioen uit hoofde van een beschikbare premieregeling waarbij de premie is gebaseerd op de kostprijs voor een middelloonpensioen de grenzen van de Wet op de loonbelasting niet mag overschrijden. Niet per jaar en niet in totaliteit. Dit begrenst dus het opwaartse potentieel voor deelnemer. Het is meer “for worse” dan “for better”.
Sleutel
De staatsecretaris van Financiën heeft de sleutel in handen om de zaak sterk te vereenvoudigen door deze beperking uit het staffelbesluit te halen. De opbouwfase voor nieuwe rechten kan dan probleemloos worden ingevuld. Wellicht zijn er zelfs wel deelnemers die ook hun opgebouwde rechten willen “invaren” in een dergelijke regeling, waardoor afstempelen kan worden voorkomen en ze misschien van toekomstige betere rendementen en rentes profiteren.
Een aangekocht ingegaan pensioen op basis van de op pensioendatum geldende tarieven, die zijn gebaseerd op de dan geldende levensverwachting, moet mijns inziens levenslang worden gegarandeerd. Dan kan ik het systeem nog uitleggen.
Herman Kappelle