02 december 2010 door Peter Elshout
U kent het vast wel. U heeft prangende vragen over uw gezondheid, of die van een naast familielid of goede vriend. U googled vervolgens internet af en raadpleegt een goede kennis over uw probleem.
Goed beslagen ten ijs gaat u uiteraard naar uw huisarts of specialist. Die legt u vervolgens haarfijn uit hoe het werkelijk met uw vragen zit, wat de verbanden zijn en wat ook niet. Wat uw misvattingen zijn. En wat, na gedegen onderzoek, de diagnose is, en welke behandelmogelijkheden er zijn.
En dat is maar goed ook! Als consument varen we wel bij een professionele beroepsgroep die voorlichting combineert met gedegen analyse, advies en oplossingen. Daar kan internet of uw bevriende kennis niet tegen op.
En zo is het precies hetzelfde met de financiële gezondheidsvragen van ons. Maar laat daar nu afgelopen week een misverstand over dreigen te ontstaan bij de lancering van de geldwinkels met ‘gratis advies’ van minister De Jager.
Dit is een plan om in enkele steden geldwinkels te openen voor ‘gratis advies’. Het moet een financiële vraagbaak worden waar vrijwilligers en studenten helpen met de “algemene huis-, tuin- en keukenvragen waar veel mensen mee zitten”, aldus De Jager.
Consumenten bedoelen met advies eigenlijk vaak niet meer dan voorlichting, bijv. gewoon uitleg in eenvoudige taal van een vaak complexe vraag. Voorlichting en advies zijn dan uitwisselbaar in de spreektaal.
Volgens de wet WFT echter is het geven van advies voorbehouden aan professionele financiële adviseurs, die gebonden zijn aan strikte regels over deskundigheid, permanente educatie, vergunningen, bedrijfsinrichting etc. Advies betekent echter volgens deze wet niet voorlichting, maar het ‘aanbevelen van een concreet product aan een concrete consument’.
De verwarring was daarmee geboren en de afkeurende reactie van de financiële adviseurs was te voorspellen. Die zitten niet te wachten op een ‘concurrent’ die zich niet hoeft te kwalificeren. En zeker niet in het licht van een plan van de minister om een verbod in te stellen op provisies op complexe financiële producten als hypotheken en levensverzekeringen. Adviseurs zouden dan in de toekomst met consumenten moeten gaan onderhandelen over de kosten van een advies.
Natuurlijk is het volgens De Jager niet de bedoeling dat geldwinkels specifieke producten zouden gaan aanbevelen, maar meer algemene vragen zouden gaan beantwoorden. Oftewel studenten gaan geen advies volgens de wet WFT geven, maar voorlichting.
Voorlichting is dus geen advies volgens de wet, wel volgens de spreektaal.
Moeten we daarmee ook het terrein van de voorlichting voorbehouden aan louter deskundigen? Dat lijkt me een onhoudbare zaak, kijk maar naar de rol die internet al speelt met een keur aan informatie en basale rekentools voor allerhande financiële vragen. Binnen de financiële sector is het belang onderkend van financiële bewustwording en educatie van consumenten. Recentelijk springen de banken en verzekeraars daarop in met allerlei initiatieven, van lesprogramma’s op scholen tot en met pensioenspreekuren voor burgers op Hogescholen en bij diverse media. Hoe meer initiatieven om consumenten sterker te maken hun eigen besluiten te kunnen nemen hoe beter.
Een geldwinkel past wat mij betreft ook prima in dat idee, op voorwaarde dat die dan niet ‘adviseert’. Dat blijft voorbehouden aan de echte adviseur. Die met een goed voorbereide klant dan ook beter tot zaken kan komen.
Peter Elshout