17 maart 2010 door Dennis Westerhuis
“Zéker aan het begin van mijn tijd als schaatsenrijder heb ik nooit goed geweten hoe ik moest omgaan met de aandacht en het enthousiasme van alle mensen. Na die drie gouden medailles op de Winterspelen van Sapporo besefte ik pas goed dat mijn leven nooit meer zo zou zijn zoals het vroeger was.
Natuurlijk wilde ik uiteindelijk mijn succes benutten om er geld mee te verdienen, Kees Verkerk en ik wilden immers professional zijn. Dan moet je het land in, want mensen willen je aanraken en van dichtbij meemaken. Sindsdien heb ik, net als AEGON overigens, altijd gestreden voor betere omstandigheden voor de professionele schaatsenrijders. Die zijn nu flink verbeterd, hoewel ik niet zou willen ruilen met de huidige generatie. Ik was gewend aan sneeuw en regen en mooi of minder mooi ijs – ach, schaatsenrijden heeft voor mij zoveel betekend.
Maar het was meer dan de sport alleen, het ging ook om alle dingen eromheen, waarvan ik zo genoot. Nu is een wedstrijd nog niet afgelopen of men is alweer op weg naar de volgende. Alles is tot in de puntjes uitgedacht en dat moet natuurlijk ook. We rijden tenslotte ook niet meer op Solexjes.
Straks ga ik met AEGON naar Vancouver, om er te genieten van de sport. En wie weet kan ik er ook nog even skiën. Er zal vast wel ergens een bijeenkomst zijn, dat hoort er nu eenmaal bij. Maar opzoeken doe ik het niet.
Met de biografie die vorig jaar over mij verscheen heb ik onbewust de ballon van Ard en Keesie weer opgeblazen. Maar ik hoop ooit nog eens op een plek te komen waar niemand weet wie Schenk is. Schaatsen was mijn passie, die eeuwige roem kwam er ongevraagd bij.”